maandag 14 juli 2014

Van het Cartoonfestival naar Herman Brood.

Wat hebben de dood van Nelson Mandela, de troonafstand van Koning Albert, de strijd in Syrië, de bankencrisis, het overlijden van Wilfried Martens, de regering van Elio di Rupo en het WK voetbal met elkaar gemeen? U hoeft niet te zoeken.  Laat mij u het antwoord geven.  Op al deze onderwerpen wordt op het Cartoonfestival op een grappige, eigen wijze teruggeblikt.  Sommige cartoons slagen met verve.  Eén tekening vat een discours van duizenden woorden heel kernachtig samen.  Cynisch, zwartgallig, hard, … Het zijn die cartoons, die het festival tot een succes maken.  Het zijn die enkele cartoons, waarbij een glimlach niet kan onderdrukt worden, die het festival tot een succes maken.  Aan die ene cartoon gaat u snel voorbij terwijl die andere cartoon toch uw aandacht weet vast te grijpen.  En vast te houden.  Die ene kronkelende gedachte, die u tot een aparte kijk op een bestaande situatie dwingt, doet u halt houden.  Doet u zachtjes lachen.  Doet u luidop lachen.  Cartoons, het blijkt toch een apart kunstje.  Een kunstje, dat de een al beter onder de knie heeft dan de ander.
 
Wij hadden het cartoonfestival gezien.  Wij hadden een terrasje gedaan.  Wij hadden voldoende, gezonde zeelucht opgesnoven.  Wij konden naar huis.  Op weg naar onze wagen werd onze aandacht getrokken door een foto van Herman Brood.  Vanuit de etalage van galerie Alphonse d’Heye keek Herman Brood ons aan.  Een gezonde, levenslustige Herman lokte ons.  Hij riep ons binnen.  Wij konden nog niet naar huis.  Nog even moesten wij in Knokke blijven.  Wij moesten nog even binnen bij Herman.  In de galerie werden een aantal werken tentoongesteld.  Meer nog, een aantal werken werden te koop aangeboden.  Bierviltjes van Herman Brood, door hem ooit gebruikt als ordinair betaalmiddel, waren nu plots big business geworden.  Viltjes, waarmee Herman Brood bij leven zijn openstaande schulden op café of zijn hotelovernachting betaalde, waren na zijn dood plots heel wat meer waard.  Het door Brood gecreëerde waardepapier was in buitengewone mate in waarde gestegen.  De Brood-valuta’s waren nu netjes ingekaderd.  Elk kadertje had zijn prijs.  Elfhonderd euro, dat mocht de fan of kunstminnaar neertellen voor één viltje.  Over de waarde van kunst kan al eens gediscussieerd worden.  Eén tekening op een bierviltje had datzelfde viltje getransformeerd.  Bewust of onbewust was dat viltje een kunstwerk geworden.  Die transformatie kan dat debat over de waarde van kunst nog aanwakkeren.  Kan dat debat nog aanstoken.
 
Het waren niet enkel die miniatuurtjes, die te koop werden aangeboden.  Grotere werken hengelden ook naar onze aandacht.  Dat kregen zij ook.  Gewillig lieten wij ons onderdompelen in die aparte denkwereld van Herman Brood.  In die dolle fantasie.  In die wereld, bevolkt door rare mannetjes.  In één van de liedjes van Noordkaap, stelt Stijn Meuris die ene vraag: wat is kunst? Op die vraag heb ik nooit een antwoord kunnen geven.  Ook nu kan ik niet echt zeggen of die schilderijen van Herman Brood kunst zijn.  Wel kan ik zeggen dat die schilderijen mij aanspreken.  Mij boeien.  Omdat zij mij confronteren met een wereld, die zo verschillend is van de wereld, zoals de brave burger die ziet.  Jawel, ik zelf reken mij ook tot die brave burgers.  Zou die confrontatie een definitie van kunst kunnen zijn? Zou dat een antwoord kunnen zijn op die vraag van Meuris?
 
Herman Brood is al een tijdje heen.  Godfried Dols, de gastheer van galerie Alphonse d’Heye, bracht ons dicht bij Herman Brood.  Nooit hadden wij zo dicht bij dat gekke mannetje gestaan.  Zelfs toen hij nog leefde was ons dit niet gelukt.  Nu konden wij snuisteren in zijn dagboek.  In zijn aantekenboekje.  In dat boekje konden wij korte gedachten lezen van die door mij geadoreerde muzikant.  Wij zagen tekeningetjes, door zijn dochter Lola gemaakt.  Wij konden ruiken in die boekjes.  Wij konden die boekjes besnuffelen.  Voor heel eventjes want die boekjes moesten terug in het kastje.  Boekjes moesten immers nog verkocht worden.
 
Met een bijzonder enthousiasme vertelde dhr. Dols ons over de ontstaansgeschiedenis van de verschillende werken.  Elke vraag beantwoordde hij met een warme geestdrift.  Want wij wilden weten.  Wij wilden begrijpen.  Begrijpen waarom artiesten veelal na hun dood naar waarde worden geschat? Waarom artiesten bij leven aan de rand opereren om na hun leven warm ingesloten en opgenomen te worden? Die rand was de grote aantrekkingskracht van Brood.  Vanop die rand leefde hij zijn leven.  Voluit.  Zonder enig compromis.  Enkel waardering kan ik hebben voor dergelijke artiesten.  In die galerie besefte ik opnieuw waarom ik naar Herman Brood opkeek.  Omdat hij deed wat ik niet kon.  Wat ik niet wou.  Voluit leven, aan de volle honderd procent.  Nooit op de rem staan, steeds het gaspedaal induwen.
 
Godfried Dols vertelde honderduit.  Gedreven en passioneel.  Hij nam het ons niet kwalijk dat wij niet informeerden naar zijn werk.  Want Godfried Dols is beeldhouwer.  Zijn werken stonden naast die van Herman Brood.  Wij hadden geen interesse.  Wij hadden enkel oog voor Herman.  Het leek hem niet te deren.  Heel even peilde hij naar onze mogelijke interesse tot aankoop.  Maar dat was slechts heel eventjes.  Alsof hij het verplicht was.  Na dat verplichte nummertje viel hij terug in zijn rol van warme gastheer.  Godfried Dols, een heerlijke vent.  Het perfecte gezelschap en de perfecte begeleider voor de kunst van Herman Brood.
 
Gisteren leek het alsof wij op bezoek waren bij Herman Brood.  In zijn appartementje aan de zeedijk van Knokke.  Wij hebben genoten.
 
Link:
Galerie Alphonse d’Heye, Zeedijk 652, Knokke – Duo-expositie Godfried Dols & Herman Brood, tot en met 31 augustus 2014.
 
 
 

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen