woensdag 7 mei 2014

Ons geld? Sorry maar niet het juiste argument.

Binnenkort zijn het verkiezingen.  Dan mag er al eens gediscussieerd worden.  Dan mag er al eens gedebatteerd worden.  Het mag er best wel heftig aan toe gaan.  Wij hoeven niet af te remmen.  Wij hoeven ons niet in te houden.  Jawel, de stem mag al eens de hoogte ingaan.  Heftige emoties in het debat zijn goed.  Zijn bijna noodzakelijk.  Politiek beroert immers ons leven.  Politiek grijpt in datzelfde leven in.  Wij zijn dus betrokken partij.  Als betrokken partij mogen wij dus een mening hebben.  Bijna zou ik zeggen, moeten wij een mening hebben.  Maar iemand verplichten tot het hebben van een mening lijkt mij dan toch een stapje te ver.
 
Jawel, ook ik heb een mening.  Ik durf die zelfs te verdedigen.  De tegenpartij tracht ik niet te overtuigen.  Ooit heb ik dat nog geprobeerd.  Maar dat is vergeefse moeite.  Dat weet ik nu.  In die dagen wou ik pas van tafel gaan als de tegenpartij mijn mening had overgenomen.  Vaak werden het lange avonden.  Zoals ik al zei, overtuigen doe ik niet meer.  Hoogstens wil ik de tegenpartij tot andere inzichten brengen.  Inzichten, die een andere kant van het verhaal belichten.  In de hoop dat die andere kant hem of haar tot verder denken aanzet.
 
Die geanimeerde gesprekken tracht ik te voeren op basis van argumenten.  Eenzelfde ingesteldheid verwacht ik van de tegenpartij.  Want dat maakt het gesprek tot een spelletje.  Het ene argument wordt gecounterd met het andere argument.  Het ene argument dwingt de andere tot herformuleren.  Dat herformuleren lokt op zijn beurt dan weer een gepaste reactie uit.  Uw eigen inzichten worden door het spelletje aangescherpt of bijgestuurd.  Jawel, discussiëren kan een verrijking betekenen.
 
Het is een spelletje.  Zonder spelregels.  Of toch nauwelijks.  Alleszins staan die regels nergens uitgeschreven.  Iedereen kent die wel.  Of toch niet.  Want al te vaak word ik in discussies geconfronteerd met dat ene argument: ons geld.  Dat gebeurt met ons geld, dat zegt de tegenpartij wel eens.  Meer zeggen zij niet.  Enkel die ene regel schreeuwen zij bijna uit.  Met hierbij de nodige portie verontwaardiging.  Zij menen met dit ‘krachtige’ argument het gesprek te kunnen beslechten.  Dat lijkt in hun ogen het ultieme argument te zijn.  Want wie kan nu tegen verkwisting van geld zijn.  
 
Met dat ene argument tracht men mij in de verdediging te drukken.  Maar dat doen zij niet.  Wel doet dat ene argument mij afhaken.  Omdat ik het beschouw als een zwaktebod.  Omdat dat argument baadt in een te grote leegheid.  Een te grote vaagheid.  Met ons geld worden inderdaad beleidskeuzes gemaakt.  Keuzes, waarmee wij het niet altijd eens zijn.  Maar dan moeten wij die gemaakte keuzes bekritiseren.  Dan moeten wij zeggen waarom die ene keuze niet de juiste is.  Dan moeten wij alternatieven kunnen aandragen.  Als dat niet lukt, doen wij er beter het zwijgen toe.  Als wij niet verder komen dan die ene uithaal van ‘ons geld’, houden wij beter de lippen stijf op elkaar.  Erkennen dat wij het niet weten, is geen zwaktebod.  Integendeel, het maakt het debat helder en klaar.
 
Ik blijf het spelletje spelen.  Met volle overgave.  Met veel plezier.  Maar bij dat ene, loze argument haak ik af.  Dan moet het niet meer voor mij.  Ik stop.  Ik begin over koetjes en kalfjes.  Maar de spannende uitdaging van het debat leg ik naast mij neer.  Uit zelfbehoud.  Omdat ik weet dat ‘ons geld’ mij tot ergernis brengt.  Want als ik één ding wil vermijden, is het ergernis.  Omwille van het zelfbehoud.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen