dinsdag 1 oktober 2013

Rupsje Nooitgenoeg. Brief aan Stefaan De Clerck.

Beste Stefaan,
 
Ik zou mij kunnen beperken tot een scheldtirade.  Ik zou mij kunnen beperken tot een al te gemakkelijk populistisch taalgebruik.  Binnen die beperking zou ik u kunnen uitmaken voor poenschepper.  Voor zakkenvuller.  U zal het merken, schelden is niet mijn favoriete vrijetijdsbesteding.  De scheldnamen zijn nog braafjes.  Op internettende praatbarakken zal u een meer uitgebreide, hardere woordenschat kunnen lezen.  Ik zal verder gaan dan die beperking.  Ik spreek u aan.  In die aanspreking zal ik trachten verder te gaan dan bovenstaand schelden.
 
U geeft binnenkort uw ontslag als volksvertegenwoordiger.  Binnenkort wordt u aangesteld als voorzitter bij Belgacom.  Vooreerst wens ik u te feliciteren met deze wending in uw carrière.  Op tweeënzestigjarige leeftijd gaat u voor een nieuwe uitdaging.  U bent een voorbeeld in het debat, dat eenieder tracht te overtuigen dat langer werken de norm wordt.  In dit debat neemt u uw verantwoordelijkheid.  U toont de weg.  U toont aan bedrijfsleiders dat oudere werknemers best wel een nieuwe uitdaging aankunnen en aandurven.
 
Maar hier stop ik met het toezwaaien van lof.  Nog meer lof komt u niet toe.  De ergernis over de politieke benoemingscarrousel is nog maar net gaan liggen of u stookt het vuur van de verontwaardiging nog verder aan.  Bij uw ontslag als Kamerlid eist u de vertrekpremie op.  Een premie, waarop u recht hebt.  Dat argument zou moeten volstaan om de discussie definitief te sluiten, zo meent u.  U noemt het een groepsverzekering.  Een groepsverzekering, waarop zo vele werknemers recht hebben.  Dat is inderdaad zo maar dan verliest u dat ene kleine verschil uit het oog.  Die werknemers krijgen die verzekering uitbetaald aan het einde van hun loopbaan.  Als aanvulling op hun bescheiden pensioen.  Die werknemers hebben geen vooruitzicht op een goedbetaalde after-carrière.  U hebt dat wel.  U hebt het vooruitzicht op een job, waaraan een bruto jaarloon van 180.000 euro hangt.  Een mooi prijskaartje, toch? 
 
U vertrekt vrijwillig.  U begint aan een nieuwe baan.  Toch nog aanspraak maken op een vertrekpremie lijkt mij dan niet te rechtvaardigen.  Maar die baan is onzeker, stamelt u.  De regering kan, indien u niet overtuigt als voorzitter, beslissen u die job te ontnemen.  Maar wat is het verschil met de gewone werkmens? Die werkmens is in deze economisch onzekere tijden ook niet zeker van zijn job.  Als vergoeding voor die onzekerheid kan die werknemer geen beroep doen op een bijkomende premie.  Bovendien valt u bij mogelijk ontslag als bestuurder toch terug op uw pensioen.  Neen, beste Stefaan, u overtuigt niet.
 
U overtuigt niet.  Dat beseft u.  Daarom probeert u dan maar het ultieme argument.  Met die vertrekpremie zal u maatschappelijke initiatieven steunen in de streek.  Wie kan daarop iets tegen hebben? Ik heb daarop iets tegen.  Want dat argument beslecht de discussie niet.  Ondanks dat lovende initiatief blijf ik ervan overtuigd dat u geen recht hebt op die ontslagpremie.  U mag de gulle weldoener spelen.  Ik heb geen enkel bezwaar.  Maar dan niet met gemeenschapsgeld.  Strooi gul geld uit maar doe het dan maar met gelden uit eigen fondsen.  Al te gemakkelijk is het de mecenas te spelen met andermans geld.  Neen, zelfs dit argument heeft nauwelijks of geen overtuigingskracht.
 
Dan maar een laatste poging, moet u denken.  Als iedereen vindt dat u geen aanspraak maakt op een uittredingsvergoeding, dan moet dit maar wettelijk geregeld wordt.  U laat een opening.  Als dit alles wettelijk geregeld wordt, bent u bereid af te zien van de vergoeding.  U hoopt hiermee twee vliegen in één klap te vangen.  U maant uw collega’s aan tot spoed.  Om na al te lang praten eindelijk werk te maken van een wettelijke regeling.  U neemt een bocht, zo lijkt het.  Om u uit die verdomde hoek van verliezer te wringen.  U lijkt van zero naar hero te gaan.  U bent een held.  Want door uw actie wordt eindelijk de noodzakelijke oplossing gevonden.  U weigert de vergoeding.  Omdat de eindelijk gestemde wet u dit vraagt.  
 
Maar zal die wet er komen? Men is er al een tijdje mee bezig.  Tien jaren praten zonder enig of bijna geen vooruitzicht.  De voorzitters van de zeven parlementen komen heel binnenkort samen om zich hierover nog maar eens te buigen.  Dat is goed.  Maar toch plaats ik bij deze werkwijze enkele vraagtekens.  Is het niet bijzonder vreemd dat Kamerleden en senatoren zelf de hoogte van hun loon en ontslagpremie bepalen? U bent tezelfdertijd werkgever en werknemer.  Deze toestand lijkt mij niet wenselijk.  Lijkt mij niet houdbaar.  Dit debat zou u uit handen moeten genomen worden.  Deze loonbepalingen en loononderhandelingen zouden het exclusieve werkterrein moeten vormen van een extern en onafhankelijk bureau.  Misschien een taak voor het Rekenhof? Indien niet moet uitgekeken worden naar een nog op te richten bureau.  Zij kunnen een vergelijkende studie maken van de loonsituatie van collega-parlementsleden in andere landen.  Op basis daarvan kunnen zij een voorstel uitwerken.  Op die manier zal het mogelijke verwijt van zelfverrijking wegvallen.  Op die manier zal het populistische verwijt van ‘graaien in de pot’ de wind uit de zeilen genomen worden.
 
Beste Stefaan, u hebt geen recht op die premie.  Diep in uw binnenste beseft u dat ook.  U zoekt naar een mogelijke uitweg.  Een mooie uitweg om te landen.  Om de discussie te beslechten.  Die enige uitweg zal u brengen tot een weigering van die premie.  Zelfs zonder de door u noodzakelijk geachte wetgeving.  Heel misschien zal u enig gezichtsverlies lijden.  Maar iedereen zal dan toch moeten erkennen dat u de enige, juiste oplossing hebt gekozen.  U hebt het licht nog niet gezien.  Ik wens u dat verhelderende licht heel binnenkort toe.
 
Ik schrijf u deze brief uit oprechte bezorgdheid.  Bezorgdheid omwille van mogelijke imagoschade aan uw beroepscategorie.  Want ondanks alles acht ik die beroepscategorie hoog.  Ik heb respect.  Omdat u één van de belangrijkste bouwstenen bent binnen ons democratisch systeem.  Maar dat respect staat niet gelijk met een blind navolgen.  Dat respect staat gelijk met de nodige zin voor kritiek.  Gegronde kritiek, geen populistisch gewauwel.  Uit die zin voor kritiek put ik voldoende moed u aan te schrijven.
 
Met vriendelijke groeten.

Wim Backx

Link:
Het verhaal van Rupsje Nooitgenoeg.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen