dinsdag 29 oktober 2013

Brief aan de onbekende mevrouw.

Geachte,
 
Wij kennen elkaar niet.  Tot zondagmiddag hadden wij elkaar nog nooit ontmoet.  Maar zondagmiddag zou alles veranderen.  Die middag zouden wij elkaar treffen.  Ondanks die ontmoeting hebben wij niet uitgebreid met elkaar kunnen kennismaken.  Uw naam blijft mij onbekend.  Vandaar die nogal koude aanspreking boven in mijn brief.  Ik had u willen aanspreken bij de voornaam.  Maar onze ontmoeting was te kort.  Er was geen tijd voor uitwisseling van gegevens.
 
Zondag reed ik naar Ikea.  Niet omdat ik mijn woonkamer wou herinrichten.  Een onmiddellijke en extreme make-over van mijn appartementje staat niet ingepland.  Ik kwam naar Ikea voor een portie mosseltjes.  Meer zou het niet worden.  Enkel mosseltjes.  Dan terug de wagen in.  Een culinair blitzbezoek aan de Zweedse meubelgigant.
 
Blijkbaar was ik die dag niet als enige naar de Ikea gekomen.  Het was druk.  Bijzonder druk.  Een reglementaire parkeerplaats was moeilijk te vinden.  Ik kleur met voorkeur binnen de lijntjes.  Illegaal gedrag is niet onmiddellijk aan mij besteed.  Geen wildparkeren voor mij.  Ik ga op zoek naar die ene vrije plaats.  Zondag viel het dus niet mee.  Ik had al enkele rondjes gedraaid op de parking.  Wanhoop deed mij bijna besluiten terug huiswaarts te keren.  Maar juist op dat moment kwam dat vriendelijk madammetje aangewandeld.  In wanhoop is de redding steeds nabij.  Zij gaf mij te kennen dat zij vertrok.  Zij bood mij haar staanplaats aan.
 
Ik ging op de rem staan.  De zoektocht was voorbij.  Ik had mijn plaatsje.  Nog heel even en ik kon mijn wagen stallen.  Mijn knipperlicht schakelde ik aan.  Om iedereen aan te geven dat het weldra vrij te komen plaatsje aan mij was toegewezen.  Ik wachtte rustig af om mijn manoeuvres te starten.
 
Dat was het moment dat ik u tegenkwam.  Dat was het moment waarop u mijn leven binnentrad.  U kwam vanuit de andere richting aangereden.  U zag een auto wegrijden uit een kort daarvoor nog bezette parkeerplaats.  Uw knipperlicht ging aan.  U leek mij niet te zien.  U leek niet op te merken dat ik daar al een tijdje geduldig stond te wachten.  Of neen, u merkte mij wel op.  Maar u gaf een heel andere invulling aan de bestaande situatie.  U was eerst.  Dat plaatsje was voor u.  Daarover bestond geen enkele twijfel.  Zo dacht u.  Om uw verkeerde interpretatie toch nog meer kracht van overtuiging te geven, stapte u uit.  U ging voor mijn wagen staan zodat uw man rustig de vrijgekomen plaats kon inrijden.  Ik vermoed dat u de voorbije week op uw bedrijf een assertiviteitstraining had gehad en dat u dit het juiste moment vond om de vele theorie in de praktijk om te zetten.
 
Heel kort moest ik even denken aan die eeuwige discussie over de kip en het ei.  Wie was er het eerst? Ik weet het niet.  Een correct antwoord heb ik nog steeds niet gevonden.  Maar zondag wist ik het wel.  Zonder enige aarzeling.  Ik was eerst.  Ik zou niet wijken.  In vele delen van de wereld wordt hevige strijd geleverd om rechtvaardigheid.  In vele delen van de wereld leveren mensen dagelijks strijd om een rechtvaardige behandeling.  Dit zou mijn kleine ministrijd worden.  Dat moment werd ik heel even Rosa Parks.  Neen, ik zou mijn plaats niet afstaan.  
 
Ik reed vooruit.  Heel lichtjes.  Ik was vastberaden.  U zou in het zand bijten.  Zoveel was zeker.  Ik bleef rijden.  Heel zachtjes.  U ging wild tekeer.  Ik was vastbesloten.  Zachtjes reed ik tot uw benen aan.  In mijn ogen las u vastberadenheid.  U ging aarzelen.  U zette een stapje terug.  Ik volgde u met de wagen.  Nog altijd heel rustig.  Nog altijd heel zachtjes.  Rechtvaardigheid dreef mij vooruit en drong u achteruit.  U plooide.  Ik kon parkeren.  Ik zegevierde.  Rechtvaardigheid won.  Ondanks mijn zege bleef ik nederig en bescheiden.  Geen uitbundigheid.  Wel ingetogenheid.
 
Ik stapte uit.  Ging op weg naar de ingang van Ikea.  Het verlies viel u zwaar.  Hysterisch kwam u aangerend.  U had mijn nummerplaat, u zou de politie bellen.  Slagen en verwondingen, dat was de beschuldiging.  Eventjes meende ik te moeten reageren.  Om die noodzakelijke puntjes op de i te zetten.  Maar ik hield mij in.  Ik dacht aan die wijze raad van mijn vader.  Niet reageren op hysterische vrouwen, vertelde mijn vader.  Dat zou nog meer het vuur aanwakkeren, zo vertelde mijn zelfde vader verder.  Ik zweeg dus.  Ik liet de storm over mij heengaan.
 
Maar zelfs stilzwijgen kan het vuur van een hysterische vrouw aanwakkeren.  U volgde mij tot in het restaurant.  Om een vloek over mij uit te spreken.  U riep mij toe dat ik mij moest verslikken in mijn heerlijke mosseltjes.  Gedurende uw tirade bleef ik stoïcijns kalm.  Een kalmte, door u verkeerd geïnterpreteerd als agressie.  U zette mij weg als een agressieveling.  U bleef razen en tieren.  Ik bleef zwijgen.  Uiteindelijk ging uw storm liggen.  Uw vuur doofde uit.
 
Ik kan geen verklaring vinden voor uw doldwaze raid.  Jawel, ik moest lachen.  Om uw gedrag.  Om mijn gedrag.  Dit alles was helemaal niet nodig.  Maar heel soms moet een nutteloze strijd gestreden worden.  Dat meende ik zondag.  Dat deed ik zondag.
 
Ondanks al het voorgaande, wens ik u alle succes toe in het verdere leven.  U ziet, ik ben een vriendelijke jongen.  Een vriendelijke jongen, enkel en alleen op zoek naar een parkeerplaats.
 
Met oprechte groeten.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen